Aan de slag
Inventariseren Onderzoeken
Voorbereiden Uitvoeren
Voorbereiden Uitvoeren
Praktijkvoorbeelden

Onderzoek bewijs

Fase 0

Doel

Ga eerst na of de routekaart geschikt is voor jouw situatie. Hieronder lees je welke onderbouwing minimaal nodig is en hoe je het niveau van bewijs kunt bepalen. Deze stappen zijn gebaseerd op de criteria die het RIVM gebruikt bij het beoordelen van interventies voor de interventiedatabase (www.loketgezondleven.nl).

Stappen

1.

Kijk of de interventie wordt genoemd in recente Nederlandse richtlijnen die door de paramedische beroepsgroep(en) geaccordeerd zijn. Kijk zowel in mono- als interdisciplinaire richtlijnen. Kijk ook naar niet paramedische richtlijnen waar paramedische interventies in aanbevolen kunnen worden.

2.

Kijk of er wetenschappelijke bewijs is over de effectiviteit van de paramedische interventie.
Zoek hiervoor in de wetenschappelijke literatuur. Maak hiervoor bijvoorbeeld gebruik van Google scholar of pubmed.

3.

Als er wetenschappelijk bewijs gevonden is, bepaal dan of er minstens eerste aanwijzingen zijn dat de interventie werkt. Dit betekent dat er minimaal twee studies met lichte bewijskracht moeten zijn die laten zien dat de paramedische behandeling effectief kan zijn, of één studie met vrij sterke bewijskracht.

Van deze studies moet er ten minste één in Nederland zijn uitgevoerd. De tweede studie mag ook een review, meta-analyse of een (inter)nationale studie zijn, zolang de interventie voldoende vergelijkbaar is met de paramedische interventie die jij wilt invoeren.

In de tabel hieronder staat een uitleg over de verschillende niveaus van bewijs. Vraag eventueel een onderzoeker om hulp bij het beoordelen van het bestaande bewijs.

Licht

  • Er zijn resultaten beschikbaar van vóór, aan het begin of tijdens de interventie, en aan het einde ervan (een voor- en nameting), maar zonder controlegroep.
  • Ook gegevens uit bijvoorbeeld observaties of monitoring kunnen hiervoor gebruikt worden.
  • Bij onderzoek naar de ervaren effectiviteit is alleen een nameting genoeg.

minimaal 2, 1 nederlandse studie

Matig

Dezelfde criteria als voorgaande, met als toevoeging:

  • De resultaten zijn vergeleken met ander onderzoek naar de effecten van de gewone situatie, de gebruikelijke aanpak of zorg, of met onderzoek naar de effecten van een andere interventie bij een vergelijkbare groep mensen.

minimaal 2, 1 nederlandse studie

Vrij sterk

Dezelfde criteria als voorgaande, met als verschil:

  • Het onderzoek heeft een interventiegroep en een controlegroep (gebruikelijke zorg), maar de deelnemers zijn niet willekeurig verdeeld.
  • Of er is een andere onderzoeksopzet met vergelijkbare bewijskracht, zoals:
    • herhaalde casestudies met een beginmeting (baseline),
    • een tijdreeksopzet met één of meerdere baselines,
    • afwisselende behandelingen,
  • of een studie die kijkt naar de relatie tussen hoe goed een interventie is uitgevoerd en in welke mate de gewenste resultaten zijn bereikt.

minimaal 1 nederlandse studie

Sterk

Dezelfde criteria als voorgaande, met als toevoeging:

  • Er is een vervolgmeting gedaan (richtlijn: minstens 6 maanden na het einde van de interventie), of er is een andere onderzoeksopzet die goed laat zien of de resultaten blijvend zijn.

minimaal 1 nederlandse studie

Zeer sterk

Dezelfde criteria als voorgaande, met als verschil:

  • Er is een experimentele onderzoeksopzet, waarbij deelnemers willekeurig worden ingedeeld in groepen. Of er is een andere onderzoeksopzet die duidelijk laat zien dat de interventie echt het effect veroorzaakt.

minimaal 1 nederlandse studie

Besluitvorming voortgang
Besluit op basis van de evaluatie over de voortgang:
  • Maak bij positieve resultaten een borgingsplan en overweeg opschaling naar meer regio’s.
  • Overweeg bij minder positieve resultaten aanpassing van het opschalingsplan en doorloop fase 3 opnieuw